Een kakelbonte verzameling

Het was een kennismaking voor startende ondernemers bij de Kamer van Koophandel in Amsterdam. Ik zat naast een dame die vertelde over plannen voor haar schoonmaakwinkel. Ik zag het helemaal voor me. Planken en schappen met groene zeep en een kakelbonte verzameling schoonmaakborstels en kwasten. Bijna direct gingen mijn gedachten volledig vrij op het thema winkel. Ik dacht schoonmaakwinkel….troost….troostwinkel. En zo ontstond in een splitsecond mijn plan. Wat zou het gaaf zijn om op een plek in de stad een troostwinkel binnen te lopen. Hier zou je een stoel, een mooie koffie of thee en een luisterend oor vinden. Ik ging wat kauwen op het onderwerp. Nee, dacht ik uiteindelijk. Er zal nooit een oplossing te koop kunnen zijn voor rouw. Troost kun je niet kopen. Een winkel zou niet de juiste setting zijn. Rouw en omgaan met rouw is juist hard werken. Hard werken met je eigen gereedschap.

De sterke geur van ledervet

En zo rook ik de sterke geur van ledervet. Ik hoef er niet eens mijn best voor te doen. Ik ruik het zo weer. De werkplaats bevond zich aan de zijkant van een oude boerderij. Een lage deur met een grof ijzeren handgreep, een klingelende bel en een schoenmaker. Vriendelijk, klein en gebocheld. Dat waren meer mensen in het dorp waar ik opgroeide. Kleine mannen en vrouwen, krom lopend of met een bochel. Als kind vond ik dat normaal. Ik kende niet anders. En ze kleurde mijn leven. Maar goed, die werkplaats dus. Het fascineerde mij als kind. Mijn moeder stuurde mij met schoenen voor een nieuw hakje of een nieuwe zool naar de oude schoenmaker. En dan stond ik te kijken hoe deze man onder het licht van een enkel peertje de stikmachine en de poetsmachine bediende. Die doordringende scherpe geur van leer, lijm en vet en die peer boven de werktafel. Je voelde het vakmanschap. Deze man wist wat hij deed. Als kind durfde ik hem niet te storen. Dus zo stond ik daar soms zomaar een tijd te wachten zonder dat mij gevraagd werd wat ik kwam doen. Wachten, kijken en opsnuiven. Al dat gereedschap, hangend op borden met spijkers en haakjes. Daar moet ik onbewust aan gedacht hebben toen ik aan de Troostwerkplaats dacht. Geen winkel dus, maar een werkplaats. Een eigen plek waar het gereedschap geordend hangt, waar je de weg kent en waar je in je eigen tempo en op je eigen manier werkt aan het herstel van iets. Werken met de ijver en de zorg van die oude schoenmaker. Eigenlijk zou iedereen zijn of haar eigen Troostwerkplaats kunnen inrichten. Wat heb je nodig om te herstellen als je door iets in je leven averij hebt opgelopen.

Mijn gereedschap

En zo wist ik dat mijn mountainbike mijn gereedschap zou worden. Mijn grote redding. Op de avond na de begrafenis van mijn geliefde, pakte ik mijn fiets, reed een rondje en bracht het water uit de bidon naar het vers gedolven graf. Toen wist ik dat de fiets, die mijn geliefde noodlottig was geworden, mijn reddingsboei zou zijn voor de dagen, maanden en jaren die zouden komen.

De klingelende deurbel

 Ik herken de klingelende deurbel en weet dat het dan weer tijd is voor een uurtje zwoegen. Ik klik in de pedalen, fiets het liefst tegen de wind in en soms met tranen en snot voor ogen. Dan ben ik weer even onderweg in mijn eigen Troostwerkplaats. Misschien weet je al wanneer jij de klingelende bel hoort en ken je de weg naar jouw eigen Troostwerkplaats. En anders…ga op zoek. Ontdek en verken. Je zult jezelf erkentelijk zijn voor als het nodig is. Eerlijk gezegd is mijn eigen Troostwerkplaats nog niet zo’n gekke plek. Het is fijn om daar af en toe weer eens te zijn.